Klaus Mäkelä, toekomstig chef-dirigent, zet bij het Concertgebouworkest zijn Mahler-reeks voort met de Zevende symfonie. Het werk beweegt van weifelende, tegenstrijdige emoties via nachtelijke visioenen naar een triomfantelijke Finale, waarin veel koper en slagwerk een groots vuurwerk ontketenen.
Mahler dirigeerde in 1909 zelf de Nederlandse première bij het orkest. In een brief aan Willem Mengelberg noemde hij Amsterdam zijn tweede muzikale vaderland. Na Mahlers dood in 1911 schonk Alma Mahler de partituur aan het orkest. De symfonie verwarde pers en publiek eerst, maar werd een favoriet.